BOUW JULLIE STEDEN OP DE FLANKEN VAN DE VESUVIUS!

Dieter Roelstraete - 2011

 

 

 

 

Sinds “de Heer zwavel en vuur uit de hemel liet neerkomen op Sodom en Gomorra”, zoals wordt verhaald in Genesis 19, wordt zwavel geassocieerd met afschuwelijke gramschap – zowel een attribuut van God als een symbool van de hel. [Of een olfactorische waarschuwing dat de poorten van de hel zijn opengegaan.] Het is niet de bedoeling om in deze tekst een antwoord te zoeken op de vraag waarom precies het chemisch element zwavel zo sterk wordt geïdentificeerd met het rijk van Satan. De historische associatie geeft echter een zeker geestelijk gewicht aan de ervaring van het kijken naar Outward-bound, een drieschermige video-installatie van Wim Catrysse waarin hij iets probeert vast te leggen van het apocalyptische aura van een vulkanische gele nevel.

 

Outward-bound werd opgenomen gedurende een periode van 12 dagen, in september 2010, die Catrysse doorbracht op de flanken van de Kawah Ijen. Deze vulkaan in het oosten van Java staat bekend als zwavelmijn – een aloude industrie die op enigszins onverklaarbare manier een toeristische attractie is geworden. De videotriptiek, gebruik makend van gespiegelde beelden die ingenieus werden samengevoegd om het panoramische effect te vergroten opent met een zicht op een bulkende massa rook die over water drijft – een meer in de actieve krater van de vulkaan. Deze dreigende scène wordt begeleid door een sinistere soundtrack, die onvermijdelijk doet denken aan de muziek van Györgi Ligeti die op zo’n verbluffende manier werd gebruikt in Stanley Kubricks baanbrekende film 2001: A Space Odyssey. Deze referentie getuigt van de jarenlange interesse van de kunstenaar voor sciencefiction, een element dat al overweldigend aanwezig was in de eerdere video-installatie Dusking. (Dit werk van 2009 was gebaseerd op een clip van 4 seconden – opgenomen in een gelijkaardig gasachtig landschap –, die Catrysse had gezien in Alien, een andere sciencefictionklassieker. Zoals de titel al suggereert was Dusking een duister werk – wat de vraag doet rijzen waarom de toekomst waar sciencefiction het zo vaak over heeft, altijd zo abnormaal nachtelijk is?) Dan duiken menselijke figuren op, sommige dragen gasmakers, andere houden niet meer dan een vod voor hun mond terwijl ze de verstikkend dikke, toxische gele rook trotseren. Ze hebben lange stokken in de hand waarmee ze in de spuwende poriën van de vulkaan porren: de primitieve instrumenten van hun vak – een alledaagse manier om de aarde te exploiteren in een van de minst wereldse omgevingen van de aarde. Als we naar het surreële spektakel van de zwavelwinning in het afgelegen Oost-Java kijken, vragen we ons onvermijdelijk af waarom zwavel wordt gewonnen (behalve voor koppen van lucifers). Hoewel het Catrysse niet zozeer te doen is om het documenteren van een economisch proces, duikt hier niettemin de gedachte op aan de zowel klinische als zinnelijke film Gravesend van Steve McQueen uit 2007. Hierin wordt een beeld geschetst van de coltanmijnen in de verafgelegen oostelijke provincies van de Democratische Republiek Congo. In elk geval deelt Catrysse met McQueen een passie voor een door en door lichamelijke cinema van vrijwel haptische kijkervaringen – ik veronderstel dat het dat was dat mijn collega Anselm Franke ertoe inspireerde om vertigo als de rode draad te zien die door het hele werk van de kunstenaar loopt. Frankes interpretatie zou nog kunnen verfijnd worden door de duizelingwekkende beweging in Catrysses films centrifugaal te noemen (veeleer dan centripetaal). Deze duizelingwekkende beweging is inderdaad vaak ‘buitenwaarts gericht’: de kunstenaar trotseert regelmatig extreme omstandigheden in zijn onderzoek van de marges van het leven (van de aarde), daarbij alle mogelijke grenzen, scheidingslijnen, demarcaties aftastend. En een van de grenzen die hij in het bijzonder al lange tijd exploreert, precies met de bedoeling ze te zien imploderen, is die tussen wetenschap (science) en fictie.

 

Dat zoeken naar extremen en uitersten, naar het verboden terrein en het onbereikbare, heeft natuurlijk ook een zekere romantische kwaliteit (in de kritische, filosofische betekenis van deze vaak misbruikte term), en het is moeilijk om niet te denken aan de aartsromantische esthetische categorie van het sublieme, als men aan de grond wordt genageld door het overweldigende natuurlijke spektakel dat in Outward-bound wordt ‘gedocumenteerd’.

 

Daarom zou ik willen besluiten met dit werk van Catrysse opnieuw te vergelijken met zijn voorganger, Dusking. Beide werken lijken op een gelijkaardige manier aan elkaar verwant te zijn als twee bekende schilderijen van de befaamde romantische schilder Caspar David Friedrich. Het ene is getiteld Das Eismeer [Het ijsmeer] (1824), het andere Der Wanderer über das Nebelmeer [De wandelaar boven het nevelmeer] (1818). Het is vooral dat tweede iconische schilderij dat zich onvermijdelijk in mijn geest opdrong toen ik, enkele weken voor de eerste vertoning ervan, Outward-bound in het atelier van de kunstenaar had gezien. Op de vaak gereproduceerde Wandelaar is bovenop een berg een eenzame figuur vanaf de rug te zien. Hij kijkt gefascineerd neer op de ‘zee van wolken’ aan zijn voeten. Zijn blik is het optische equivalent van dat overgangsmoment in de Europese geschiedenis waarop de lucide blik van de Verlichting vermoeid raakte van de helderheid van zijn eigen gedachten en opnieuw begon te verlangen naar zijn onderdompeling in de spreekwoordelijke ‘wolken van onwetendheid’. Het olympische gezichtspunt van Friedrich is natuurlijk al lang een epistemologische (zo al niet ontologische) onmogelijkheid geworden.

 

Wij bevinden ons niet langer boven de zee van wolken, maar zijn er altijd al in ondergedompeld – we zijn om te beginnen waarschijnlijk nooit uit de nevelen van het worden opgedoken. Het ontzagwekkende geraas en uitbraken van schadelijke, walgelijk ruikende rook die samengaan met het moment dat de ingewanden van de aarde onze atmosfeer bereiken, kunnen infernaal lijken (en dus niet aardsgezind), maar dit moment vatten is misschien wel de beste manier om een elementair aspect van het menselijk leven te karakteriseren – iets wat te maken heeft met het vreemde verlangen van de mens om ‘gevaarlijk te leven’. Om het met de befaamde woorden van Friedrich Nietzsche te zeggen: “Bouw jullie steden op de flanken van de Vesuvius!”

 

 

 

Dieter Roelstraete – Oktober 2011